Lijn en Broertje gingen, nadat De Vliegende Hollander een paar uur later heropende, vragen of ze voor mochten in de rij. Ik sjokte er maar achteraan en het kon me eigenlijk niet eens zoveel meer schelen. Ik had namelijk een paar uur eerder nog beweerd dat ik niet zo hield van pretparken, maar dat ik voor de Efteling graag een uitzondering maakte. Nu heb ik sowieso een hekel aan uitzonderingen, want die maken principes zo lastig te handhaven.
Medewerker M. stond de twee klagers te woord. Lijn en Broertje kennen weinig schaamte en laten zich ook niet na een principiële verhandeling met een lulwoord wegsturen, dus M. kreeg het zwaar. Hij gaf uiteindelijk aan dat er wel wat mensen sneller binnen waren geweest met een ondertekende bon van de klantenservice. “Ah! Gaan we doen,” zei Broertje, terwijl hij in z’n vingers knipte en ons sommeerde terug te gaan naar de kassa.
Bij de kassa waren meer klagers. Het was de dag dat een binnenbrand in de droomvlucht een aantal reizigers bijna anderhalf uur strandde, dus ze hadden hun handen vol. Wederom lieten de twee beroepsklagers zich niet afschepen met een klachtenformulier. Helaas konden ze ons verder niet helpen. Broertje stapte over op beproefde NSB tactieken en informeerde de medewerkers dat M. ons had gewezen op het bestaan van deze Vorrangspapiere. Lijn deed vijf minuten later er nog een schepje bovenop door iemand van hoger op de ladder te vertellen van M.’s techniek om ons af te schepen.
Uiteindelijk werd besloten om ter compensatie de achtbaan een uur langer open te houden. Nou, joepie. Rond half vijf ging Lijn opnieuw in de rij staan. “Ik dacht het niet,” zei ik, aangevuld met een “ik peins er niet over.” Iets meer dan een uur later zaten we eindelijk in De Vliegende Hollander. Het begin was wel leuk, maar de rit was binnen een minuut voorbij. En daar wacht je dan een cumulatieve drie uur voor. Joepie.
Pretparken. Ik bedoel, jemig zeg.

M. tussen potentiële bezoekers van De Vliegende Hollander.
