Het weer: -2°C, clear
(Bij voorbaat excuses voor al de dikgedrukte stukken, maar het maakt een ingewikkeld verhaal iets leesbaarder, denk ik.)
Toch weer minder gedaan dan de bedoeling was. Een rechtszaak samengevat (nog altijd R. v. Zundel) en begonnen met het lezen over de tabaksindustrie die een zaak aanpaande tegen de overheidsregulering die reclame voor tabaksproducten illegaal maakte. Interessant genoeg bepaalde het hooggerechtshof dat de door de wetgeving vrijheid van expressie in het gedrang kwam. Toch heb ik nog geen tabaksreclame gezien hier. Maar dan, ik zie hier sowieso niet zo heel erg veel reclame.
Het leuke van al die hooggerechtshof zaken is dat je er een bepaalde lijn van redenering kunt uithalen. Een zaak als R. v. Oakes (waar ik het een paar weken geleden over had) stelde een precedent in het uitzoeken wanneer wetgeving niet door de beugel kan volgens de Canadese Charter of Rights en Freedoms (een belangrijk deel van de grondwet uit 1982.) Er is sinds Oakes een logische procedure die iedere keer gevolg wordt. (In het kort: is het doel van de wet belangrijk genoeg voor de maatschappij als geheel, is er een logisch verband tussen dat doel en de regel van de wet, is de vrijheid die wordt beperkt zo min mogelijk beperkt door de wet, en is er een balans tussen het effect van de maatregel en het vastgestelde doel?)
Irwin Toy v. Quebec (heb ik het ook over gehad) stelde de vraag: is commerciele uiting ook beschermde uiting? Sinds Irwin Toy is er een procedure die het hooggerechtshof volgt om te bepalen of iets uiting is (in het kort: het moet inhoud overbrengen) en of die uiting vervolgens door de overheid beperkt wordt (in het kort: is het doel van de wet beperking, is het effect van de wet een beperking, of brengt de wet een van drie fundamentele democratische principes in gevaar: pursuit of truth, participation in the community, or individual self-fulfillment. )
Iedere wetgeving kan in principe een of meer fundamentele rechten onder de Charter in het gedrang brengen. Maar sectie 1 van de Charter stelt dat deze vrijheden gegarandeerd worden, tenzij het redelijk aan te tonen valt dat enige beperking van deze vrijheden de maatschappij als geheel ten goede komt. Deze uitleg is een beetje kort door de bocht, letterlijk staat er:
"The Canadian Charter of Rights and Freedoms guarantees the rights and freedoms set out in it subject only to such reasonable limits prescribed by law as can be demonstrably justified in a free and democratic society."
Zaken als Oakes en Irwin Toy hebben vervolgens criteria vestgesteld voor wat precies redelijk aantoonbaar is, wanneer een beperking gerechtvaardigd is en welk maatschappelijk nut gediend moet worden door de wetgeving.
Je ziet, ik heb hier veel te weinig plek om gedetailleerd uit te leggen hoe deze jurisprudentie precies werkt, maar het is ontzettend interessant. Het is ook een uitdaging, want in staat zijn uit te leggen hoe deze regels werken geeft je een C (zeg maar een ruime 6.) In staat zijn de regels zelf te interpreteren en te beargumenteren aan de hand van een fictieve zaak geeft je een B (7 á 8.) Om een echt goed cijfer te behalen moet je dat alles kunnen én het in een brede historsiche context kunnen plaatsen om vervolgens een argumentatie op te stellen over de grenzen van vrijheid, het belang van individuele rechten versus het collectief, en de relatie tussen media-ethiek en recht.
Inderdaad, ik begrijp ook maar half wat er van me verwacht wordt. Maar ik weet wel dat deze lessen Media Ethiek een grotere uitdaging voor me vormen dan alles wat ik tot nu toe gehad heb. En toch geniet ik er van. (Dat zeg ik nu alvast, voor ik een C krijg en het opeens een rotvak vind.)
